HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1621
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, art. 9.5 WVW 1994. Formele rechtskracht van besluit van bestuursorgaan in strafrecht. Kon hof oordelen dat strafrechter (bij beoordeling van bewijsvraag t.z.v. overtreding van art. 9.5 WVW 1994) gehouden is zelfstandig onderzoek te doen naar rechtsgeldigheid van besluit waarbij rijbewijs van verdachte is geschorst? Als uitgangspunt heeft te gelden dat aan besluit van bestuursorgaan waartegen met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, of heeft opengestaan maar niet of niet met succes is gebruikt, in strafrecht formele rechtskracht toekomt. Dit uitgangspunt geldt met het oog op rechtszekerheid, voorkomen van tegenstrijdige uitspraken en i.v.m. behoorlijke taakverdeling tussen strafrechter en bestuursrechter (vgl. HR:2016:617). Deze taakverdeling houdt verband met onwenselijkheid dat strafrechter anders gedwongen zou zijn om in daarop niet toegesneden procedure, waarin bestuursorgaan dat betreffende besluit heeft genomen geen procesdeelnemer is, vragen onder ogen te zien tot beantwoorden waarvan bij uitstek bestuursrechter is toegerust en geroepen (vgl. HR:2024:1622). Dit uitgangspunt van formele rechtskracht brengt mee dat strafrechter in beginsel ervan moet uitgaan dat besluit van bestuursorgaan wat betreft wijze van totstandkoming en zijn inhoud in overeenstemming is met betreffende wettelijke voorschriften en met algemene rechtsbeginselen. Is besluit bij onherroepelijke uitspraak van bestuursrechter vernietigd, dan moet strafrechter van die beslissing van bestuursrechter uitgaan (vgl. HR:2016:617). Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan op deze formele rechtskracht van besluiten een uitzondering te maken in die zin dat gedraging in weerwil van besluit van bestuursorgaan niet tot strafbaarheid leidt. Dat is bijvoorbeeld geval als zich uitzonderlijke situatie voordoet dat (i) fundamentele rechten en/of rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht met zich brengen dat zo’n besluit niet als basis kan dienen voor strafrechtelijke veroordeling (vgl. HR:2017:527) of (ii) als delictsomschrijving zo moet worden uitgelegd dat hieraan alleen wordt voldaan als sprake is van (ook) naar oordeel van strafrechter rechtmatig tot stand gekomen besluit (vgl. HR:2002:AE2126 m.b.t. art. 184 Sr). Tegen besluit van CBR waarbij o.g.v. art. 131.2.a WVW 1994 geldigheid van rijbewijs wordt geschorst, staat met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open. Dat brengt mee dat het strafrechter bij strafrechtelijke vervolging voor art. 9.5 WVW 1994 in beginsel niet vrij staat te onderzoeken of besluit van CBR rechtmatig is. Voor maken van uitzondering als hiervoor bedoeld, ziet HR geen aanleiding. Uit voorgaande volgt dat ’s hofs oordeel dat strafrechter in geval van strafrechtelijke vervolging voor overtreding van art. 9.5 WVW 1994 moet beoordelen of besluit tot schorsing van geldigheid van rijbewijs rechtmatig tot stand is gekomen, getuigt van onjuiste rechtsopvatting. HR merkt op dat geslaagd bezwaar of beroep tegen besluit van CBR kan meebrengen dat achteraf bezien schorsing van geldigheid van rijbewijs nooit heeft gegolden. Is betreffend besluit onherroepelijk vernietigd of herroepen nadat verdachte onherroepelijk in strafzaak is veroordeeld, dan is niet uitgesloten dat verdachte met succes aanvraag kan doen tot herziening in de zin van art. 457.1 Sv (vgl. HR:2016:2854). Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl