HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1509
OM-cassatie. OM n-o in vervolging t.z.v. drugshandel (art. 2.A en 2.B Opiumwet). Is oordeel hof dat verdachte door gang van zaken rond sepot t.z.v. witwassen gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat hij evenmin vervolgd zou worden voor drugshandel toereikend gemotiveerd? O.g.v. art. 74 Sr kan OvJ voor aanvang van tz. een of meer voorwaarden stellen ter voorkoming van strafvervolging wegens misdrijven, met uitzondering van die waarop naar wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan 6 jaren, en wegens overtreding. Door voldoening aan die voorwaarden vervalt recht tot strafvordering. O.g.v. strafmaxima kunnen tlgd. feiten niet in transactie a.b.i. art. 74 Sr worden betrokken. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2012:BX4280 en HR:2012:BW5002 m.b.t. opportuniteitsbeginsel, zeer beperkte ruimte voor inhoudelijke rechterlijke toetsing van vervolgingsbeslissing en uitzonderlijke gevallen waarin aan OM toe te rekenen uitlatingen bij verdachte gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Hof heeft vastgesteld dat op 28-2-2020 i.h.k.v. “strafrechtelijk witwasonderzoek “Inca”” o.g.v. art. 74 Sr een transactie is gesloten tussen OvJ en verdachte (die van rechtsbijstand was voorzien) “die wordt verdacht van misdrijf strafbaar gesteld in art. 420bis Sr”. Die transactie houdt in dat verdachte “niet vervolgd zal worden t.z.v. hiervoor vermeld misdrijf”. Hof heeft geoordeeld dat (in licht van correspondentie over die transactie door OvJ en raadsman van verdachte, en van in onderzoek “Inca” verrichte opsporingsactiviteiten (waaronder politieverhoor van verdachte waarbij hem vragen zijn gesteld die betrekking hebben op overtreding van Opiumwet)) verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat i) onderzoek “Inca” niet alleen betrekking had op verdenking van witwassen maar ook op overtreding van Opiumwet, en ii) onderzoek naar verdenking van handel in en uitvoer van verdovende middelen zou worden gestaakt. Hierop gebaseerd oordeel van hof dat verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij voor die onder ii) bedoelde feiten ook niet zou worden vervolgd, is in licht van wat is vooropgesteld niet toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR in aanmerking dat uit inhoud van door hof (gedeeltelijk) weergegeven transactie blijkt dat deze transactie slechts zag (en, gelet op het boven het in art. 74 Sr genoemde strafmaximum uitstijgende strafmaximum van de tlgd. feiten, slechts kon zien) op het in art. 420bis Sr bedoelde misdrijf en niet op tlgd. feiten. Tegen die achtergrond is gevolgtrekking van hof dat het op weg van OM had gelegen kenbaar te maken dat transactie “enkel en alleen betrekking had op verdenking van witwassen” niet begrijpelijk. Ook uit de op die transactie betrekking hebbende e-mailcorrespondentie van OvJ met raadsman van verdachte heeft hof niet kunnen afleiden dat deze gaat over ander(soortig)e feiten dan witwassen. Enkele omstandigheid dat die correspondentie inhoudt dat onderzoek naar de i.h.k.v. deze verdenking van witwassen inbeslaggenomen voorwerpen (door OvJ in e-mailbericht van 11-12-2019 aangeduid als “witwasonderzoek”) zou kunnen worden gestaakt, kan oordeel van hof dat verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij voor tlgd. feiten ook niet zou worden vervolgd, niet dragen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl