HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1057

Medeplegen invoer van cocaïne door uithalers op Maasvlakte (art. 2.A Opiumwet). 1. Bewijsklacht m.b.t. herkomst container en wijze waarop pakketten cocaïne zijn overgepakt. 2. Bewijsklachten t.a.v. tijdstip waarop verdachte voor zijn aanhouding op haventerrein is aangekomen en periode die hij op haventerrein aanwezig is geweest, en feit van algemene bekendheid m.b.t. werkwijze van uithalers. 3. Heeft hof bevel tot gevangenneming van verdachte gelet op herhalingsgevaar toereikend gemotiveerd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/03502 en met 22/03489 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03526
Datum 12 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 september 2022, nummer 22-002622-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 35 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2024.

Aangehaalde artikelen

Verbonden uitspraken