HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1013

Medeplegen gekwalificeerde doodslag, art. 288 Sr. Beginpunt redelijke termijn in eerste aanleg. Had hof datum van eerste inverzekeringstelling van verdachte als beginpunt van redelijke termijn in e.a. moeten aanmerken? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. aanvangsmoment redelijke termijn in e.a. Hof heeft met oordeel dat startpunt van redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM moet worden gelegd op 2-05-2018, als datum waarop verdachte o.b.v. bevel gevangenneming (opnieuw) in voorlopige hechtenis werd genomen, miskend wat is vooropgesteld. Verdachte is immers, gelet op ‘s hofs vaststellingen, op 9-06-2015 in verzekering gesteld, waarmee op dat moment de redelijke termijn is aangevangen. Door hof beschreven verloop van voorlopige hechtenis, waarbij o.m. voorlopige hechtenis op 18-09-2015 is opgeheven, brengt niet met zich dat dit aanvangsmoment na die inverzekeringstelling op 9-06-2015 is verschoven. Verloop van voorlopige hechtenis en duur van vrijheidsbeneming die in dat kader heeft plaatsgevonden en redenen die dat verloop hebben bepaald, kunnen overigens onder omstandigheden wel van betekenis zijn bij beantwoording van vraag of duur van procedure nog als redelijk kan worden aangemerkt. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf van 17 jaren (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) met 6 maanden te verminderen. Samenhang met 22/02591.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken