HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:980
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 19,5 miljoen euro van 3 buitenlandse handelsbanken op Schiphol t.z.v. verdenking van witwassen, terwijl centrale bank ‘shipper’ is van dat geld van Suriname naar China. Centrale bank en handelsbanken hebben gezamenlijk klaagschrift ingediend, waarna hof beklag gegrond heeft verklaard omdat hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter, later oordelend, beslagene verbeurd zal verklaren of aan verkeer zal onttrekken. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:128 m.b.t. toepasselijke criterium i.g.v. beslag ex art. 94 Sv. Hof heeft bij oordeel dat hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren of aan verkeer zal onttrekken in aanmerking genomen dat ruim 4,5 jaar na inbeslagneming de interstatelijke samenwerking tussen Suriname en Nederland volledig tot stilstand is gekomen en niet aannemelijk is geworden dat Surinaamse autoriteiten zich alsnog zullen inspannen om uitvoering te geven aan (nadere) rechtshulpverzoek. Hof heeft verder overwogen dat enige concrete informatie ontbreekt voor antwoord op vraag of en wanneer strafzaken zullen worden aangebracht tegen handelsbanken of andere verdachten, en dat omstandigheid dat nog geen strafvervolging is ingesteld kennelijk nauw verband houdt met behoefte van OM om meer informatie te verkrijgen van Surinaamse autoriteiten, terwijl die informatie gelet op brief van Surinaamse minister van Justitie niet zal worden verstrekt. Hierin ligt als oordeel van hof besloten dat, gelet op beschikbare informatie over mogelijkheden van rechtshulp door Surinaamse autoriteiten, het niet tot strafvervolging zal komen en dat daarom hoogst onwaarschijnlijk is dat inbeslaggenomen geldbedrag zal worden verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd, nu hof niet is ingegaan op door OM ingenomen stelling dat, gelet op de al verkregen resultaten van strafrechtelijke onderzoek en daarbij gerezen vermoeden van witwassen, uitvoering van gevraagde rechtshulp door Surinaamse autoriteiten geen noodzakelijke voorwaarde is voor daadwerkelijk instellen van strafvervolging. Volgt vernietiging en verwijzing. Vervolg op HR:2021:1042.
De uitspraak op rechtspraak.nl