HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:767

OM-cassatie na vrijspraak wegens het niet voldoen aan de in art. 8 Verordening (EG) nr. 273/2004 opgenomen plicht tot informatieverstrekking door geen melding te doen van het bestellen/vervoeren/ontvangen/opslaan/voorhanden hebben van grote hoeveelheden drugsprecursoren, art. 2.a Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Reikwijdte meldplicht ex art. 8 Verordening 273/2004. Vervolg op HR:2021:1886 waarin HR iedere verdere beslissing heeft aangehouden omdat in samenhangende zaak HR:2021:1841 prejudiciële vragen zijn gesteld aan HvJEU. HvJEU heeft begrip “marktdeelnemer” a.b.i. art. 2.d Verordening 273/2004 zo uitgelegd dat alleen personen die betrokken zijn bij het binnen legaal kader in de handel brengen van geregistreerde stoffen, kunnen worden beschouwd als “marktdeelnemer”. Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in kader van illegale activiteit is betrokken bij in handel brengen van in EU geregistreerde stoffen, is daarom geen “marktdeelnemer” a.b.i. art. 2.d Verordening 273/2004. Dit brengt mee dat voor veroordeling wegens niet naleven van meldplicht a.b.i. art. 8.1 Verordening 273/2004 is vereist dat verdachte kan worden aangemerkt als “marktdeelnemer”. Dit te bewijzen bestanddeel kan niet worden bewezen verklaard als komt vast te staan dat verdachte in kader van illegale activiteit betrokken is bij in handel brengen van betreffende geregistreerde stoffen. Daarvan is in ieder geval sprake als verdachte m.b.t. geregistreerde stoffen gedragingen heeft verricht, die een in Opiumwet strafbaar gesteld feit opleveren. In geval dat aan verdachte zowel niet voldoen aan meldplicht als Opiumwetdelict m.b.t. dezelfde geregistreerde stoffen is tenlastegelegd, moet rechter als eerste beoordelen of Opiumwetdelict kan worden bewezenverklaard. Als dat zo is, heeft dat tot gevolg dat verdachte niet kan worden aangemerkt als “marktdeelnemer”. Als aan verdachte uitsluitend niet voldoen aan meldplicht is tenlastegelegd, kan bestanddeel “marktdeelnemer” niet worden bewezenverklaard als komt vast te staan dat verdachte in kader van illegale activiteit betrokken is bij in de handel brengen van geregistreerde stoffen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte, tezamen met ander of anderen, Opiumwetdelicten heeft voorbereid dan wel bevorderd, door via tussenpersoon chemicaliën, o.a. zoutzuur en zwavelzuur, te bestellen bij chemisch bedrijf in Luik en deze chemicaliën door anderen met gehuurd voertuig op te laten halen en te laten vervoeren naar en afleveren bij verschillende locaties in Nederland. Zoutzuur en zwavelzuur zijn geregistreerde stoffen a.b.i. art. 2.a Verordening 273/2004. Dit betekent dat verdachte in kader van illegale activiteit betrokken is geweest bij in handel brengen van betreffende geregistreerde stoffen en dat verdachte daarom m.b.t. die geregistreerde stoffen niet als “marktdeelnemer” kan worden aangemerkt. Hof heeft verdachte dus in zoverre terecht vrijgesproken van meldplicht, wat er ook zij van gronden waarop hof deze vrijspraak heeft doen steunen. Van belang is daarnaast dat aan verdachte o.m. is tenlastegelegd dat hij in bepaalde periode zwavelzuur en aceton heeft besteld/vervoerd/ontvangen/opgeslagen en/of voorhanden gehad. Aceton is eveneens geregistreerde stof a.b.i. art. 2.a Verordening 273/2004. Hof heeft verdachte vrijgesproken van betreffende transport van hiervoor genoemde zwavelzuur en aceton. M.b.t. deze geregistreerde stoffen doet zich dus niet situatie voor dat bestanddeel “marktdeelnemer” niet kan worden bewezenverklaard omdat is vast komen te staan dat verdachte in kader van illegale activiteit betrokken is bij in handel brengen van betreffende geregistreerde stoffen. Genoemde vrijspraak berust er echter op dat naar oordeel hof onvoldoende bewijs bestaat dat verdachte in enigerlei betrokken was bij betreffende transport. Daaruit volgt tevens dat onvoldoende bewijs bestaat dat verdachte betrokken was bij dit tenlastegelegde “voorval”, voor zover dat betrekking heeft op datzelfde transport. Hof heeft daarom verdachte ook in zoverre terecht vrijgesproken van overtreding meldplicht. Volgt verwerping. Samenhang met 20/01792 (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO), 20/01828, 20/01829, 20/01830 en 20/01858 (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken