HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:608
Mensenhandel (art. 273f.1.1, 273f.1.6 en 273f.1.9 Sr) en valsheid in geschrift door valse werkgeversverklaring te gebruiken bij verkrijging van hypotheek (art. 225.2 Sr). 1. Bewijsklachten mensenhandel. Betrouwbaarheid van voor bewijs gebruikte originele tapverbalen en redengevendheid van inhoud van tapgesprekken voor bewijs van financiële uitbuiting. 2. Bewijsklacht mensenhandel. Heeft verdachte feitelijk overwicht gehad op aangeefsters? 3. Bewijsklachten valsheid in geschrift. Kan uit getuigenverklaringen volgen dat sprake is van schijnconstructie en heeft hof toereikend gemotiveerd beslist op verweer dat verband tussen telefoongesprek en arbeidsovereenkomst kunstmatig is? 4. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof oordelen dat vertraging in h.b. mede is veroorzaakt door omstandigheid dat inhoudelijke behandeling moest worden aangehouden wegens wrakingsverzoek van verdediging? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/02290 P.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02291
Datum 18 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2021, nummer 21-004264-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 10 maanden.
3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2023.