HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1608
WhatsApp-fraude. Medeplegen wederrechtelijk gebruik maken van identificerende persoonsgegevens, art. 231b Sr. Is sprake is van “wederrechtelijk” gebruik van persoonsgegevens a.b.i. art. 231b Sr, nu aangeefster toestemming heeft gegeven? ’s Hofs bewijsvoering houdt in dat verdachte zich samen met één of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan (pogingen tot) oplichting via WhatsApp. In dat kader heeft medeverdachte aan aangeefster gevraagd haar bankrekeninggegevens ter beschikking te stellen voor mogelijk maken van storten van geld op deze bankrekening t.b.v. medeverdachte. Aangeefster heeft vervolgens haar bankrekeninggegevens aan medeverdachte gegeven. Daarbij is door medeverdachte een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, nu medeverdachte uitsluitend aangaf dat het zou gaan om overmaken van geld dat medeverdachte nog van haar ex-vriend zou ontvangen en dat niet gestort kon worden op rekening van medeverdachte, terwijl in werkelijkheid medeverdachte dat verzoek aan aangeefster deed i.v.m. gebruik van bankrekeninggegevens van aangeefster door verdachte en zijn mededader(s) om van misdrijf afkomstige geldbedragen te laten storten op bankrekening van aangeefster, met verheling van identiteit van verdachte. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat sprake is van “wederrechtelijk” gebruik van persoonsgegevens a.b.i. art. 231b Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 21/05353 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
De uitspraak op rechtspraak.nl