HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1023

Drugslaboratoria in Baarle-Nassau, Zevenaar en Rijen. Medeplegen produceren van amfetamine, meermalen gepleegd (art. 2.B Opiumwet), medeplegen aanwezig hebben van amfetamine (art. 2.C Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. vervaardigen van amfetamine, meermalen gepleegd (art. 10a.1 jo. 10.4 Opiumwet) en medeplegen dumpen van drugsafval (art. 10.2.1 Wet milieubeheer). 1. Bewijsklacht betrokkenheid van verdachte bij drugslaboratorium in Baarle-Nassau. Gebruik van schakelbewijs. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 8 jaren). Is strafoplegging voldoende gemotiveerd gelet op uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van verdediging m.b.t. door Belgische rechter opgelegde gevangenisstraf? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/00744 en 22/00781.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00740
Datum 4 juli 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2022, nummer 20-002717-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. In het licht van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2023.

Aangehaalde artikelen

Verbonden uitspraken