HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:843
Executie-uitlevering o.b.v. EUV van opgeëiste persoon (Bulgaarse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. onherroepelijke veroordeling voor handel in verdovende middelen tot gevangenisstraf van 12 jaren en 6 maanden. Bevoegdheidsverdeling uitleveringsrechter en minister. Is uitleveringsrechter bevoegd te oordelen over beroep op uitspraak van HvJ EU in zaak Raugevicius? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1690 m.b.t. vraag welke verplichtingen Staat heeft indien aan hem door derde land (Turkije) met het oog op tul van straf wordt verzocht om uitlevering van burger van Unie die nationaliteit heeft van andere lidstaat (Bulgarije), onder verwijzing naar arresten van HvJ EU in zaken EU:C:2018:898 (Raugevicius), EU:C:2018:222 (Pisciotti) en EU:C:2016:630 (Petruhhin). In oordeel Rb ligt besloten dat Rb tot uitgangspunt heeft genomen dat beslissing over vraag of uitlevering van opgeëiste persoon o.g.v. art. 4 Uitleveringswet en art. 6 EUV moet worden geweigerd, moet worden genomen door rechter die over toelaatbaarheid van uitlevering beslist. Dat oordeel is niet juist, omdat die beslissing is voorbehouden aan minister (vgl. rechtspraak HR over beoordeling of voorwaarden zijn vervuld als omschreven in de door Nederland krachtens art. 6.1.b EUV afgelegde verklaring, waaronder HR:2001:ZD2232). Arrest van HvJ EU in zaak Raugevicius heeft geen betrekking op deze bevoegdheidsverdeling en leidt daarom niet tot andere uitkomst. Geen cassatie, omdat minister (nadat toelaatbaarverklaring van uitlevering door Rb onherroepelijk is geworden) alsnog kan beslissen over hiervoor genoemde vraag. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl