HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:840
Profijtontneming, w.v.v. uit passieve omkoping en valsheid in geschrift. 1. Voordeel uit bewezenverklaarde feiten ontvangen op rekening B.V. Vereenzelviging voordeel van B.V. en van betrokken natuurlijk persoon. Kunnen de op bankrekening van B.V. overgeboekte geldbedragen het door betrokkene w.v.v. betreffen? 2. Werking fiscaal mechanisme. Dient bij schatting van het door betrokkene w.v.v. de belastingheffing bij B.V. in aanmerking te worden genomen? Ad 1. Bij bepaling van w.v.v. moet, mede gelet op reparatoir karakter van maatregel a.b.i. art. 36e Sr, worden uitgegaan van voordeel dat betrokkene in concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR:2015:3364). In het geheel van ’s hofs vaststellingen ligt als oordeel besloten dat met voltooiing van in strafzaak bewezenverklaarde feiten betrokkene zelf daadwerkelijk voordeel heeft verkregen tot bedrag van de door hem aangenomen en ontvangen giften, omdat betrokkene volledig over het bedrag van voor hem bestemde giften heeft kunnen beschikken. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Betrokkene heeft er immers voor gekozen een deel van die giften niet op privérekening te doen uitkeren, maar op rekening van B.V., waarbij die wijze van betaling (waarvoor betrokkene heeft gebruikgemaakt van valse facturen die hij op naam van B.V. had gesteld) door betrokkene is gekozen om te verhullen dat sprake was van het door betrokkene als ambtenaar ontvangen van giften. Hof heeft met “het door B.V. verkregen voordeel” kennelijk ook niets anders op het oog gehad dan giften die via bankrekening van B.V., daartoe gebruikmakend van valse facturen, aan betrokkene zelf zijn gedaan en waarover betrokkene volledig kon beschikken. Ad 2. Uit bij beoordeling eerste klacht genoemde omstandigheden volgt dat betrokkene met voltooiing van in strafzaak bewezenverklaarde feiten zelf daadwerkelijk voordeel heeft verkregen tot bedrag van door hem aangenomen en ontvangen giften. In het licht hiervan is (anders dan in het geval dat ten grondslag lag aan HR:2021:1) vraag naar toepasbaarheid van fiscaal mechanisme i.c. niet aan de orde, omdat mogelijkheid dat B.V. winstbelasting verschuldigd zou worden en uitkering aan betrokkene tot heffing van vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting zou kunnen leiden, irrelevant is voor omvang van het door betrokkene met voltooiing van bewezenverklaarde feiten w.v.v. V.zv. die belastingschulden (zijn) ontstaan, is dat gevolg van keuze van betrokkene om de aan hem gedane giften te laten uitbetalen via bankrekening van B.V. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. werking fiscaal mechanisme. Samenhang met 20/01076 (niet gepubliceerd; strafzaak betrokkene; geen middelen ingediend, verdachte n-o ).
De uitspraak op rechtspraak.nl