HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:756

Beleggingsfraude. Oplichting (art. 326 Sr) en verduistering (art. 321 Sr). Innerlijke tegenstrijdigheid door bewezenverklaring van zowel oplichting als verduistering m.b.t. dezelfde geldbedragen? Bestanddeel goed “dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft” uit art. 321 Sr moet zo worden uitgelegd dat niet enig door verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij dat goed onder zich heeft gekregen (vgl. HR:2001:AD4573). Hof heeft o.m. bewezenverklaard dat verdachte geldbedragen die hij van de aangevers ter investering had ontvangen heeft verduisterd. De bewezenverklaring dat verdachte die geldbedragen “anders dan door misdrijf onder zich had” is echter niet begrijpelijk, nu hof tevens (cumulatief) heeft bewezenverklaard dat verdachte (al dan niet handelend onder naam van zijn eenmanszaak) aangevers door oplichting heeft bewogen tot afgifte van die geldbedragen aan hem. HR spreekt vrij van tlgd. verduistering(en) en past kwalificatie aan. Verdachte heeft onvoldoende belang bij verdere vernietiging van uitspraak. Aard en ernst van hetgeen overigens is bewezenverklaard worden niet aangetast, mede in aanmerking genomen dat hof bij strafoplegging ook slechts toepassing heeft gegeven aan art. 326.1 Sr (oplichting) door o.g.v. art. 56.1 Sr uit te gaan van voortgezette handeling van oplichting en verduistering. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. bewezenverklaring en kwalificatie verduistering) zonder terugwijzing. CAG: anders t.a.v. strekking (verwerping).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken