HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:687

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94.2 Sv op Instagram-accounts. Is een Instagram-account een (voor verbeurdverklaring vatbaar) voorwerp a.b.i. art. 94.2 Sv? O.g.v. art. 94.2 Sv zijn vatbaar voor inbeslagneming o.m. alle voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring kan worden bevolen. Uit de bewoordingen van art. 33a.4 Sr en de wetsgeschiedenis van die bepaling volgt dat slechts zaken en vermogensrechten in de zin van art. 3:1 BW als voor verbeurdverklaring vatbare “voorwerpen” kunnen worden aangemerkt. Voor het aannemen van de mogelijkheid van verbeurdverklaring (die ertoe leidt dat Staat rechthebbende wordt op het betreffende voorwerp) is dus vereist dat het object van inbeslagneming is aan te merken als zaak of als vermogensrecht. Zaken zijn volgens art. 3:2 BW voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Volgens (niet uitputtende) omschrijving van art. 3:6 BW zijn vermogensrechten rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of ertoe strekken rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel (vgl. HR:2019:1909). Rb heeft geoordeeld dat Instagram-account noch als zaak noch als vermogensrecht (en dus ook niet als een voorwerp in de hier bedoelde zin) kan worden aangemerkt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat virtuele objecten die waarde vertegenwoordigen en overdraagbaar zijn onder omstandigheden wel als zo’n voorwerp zouden kunnen worden aangemerkt, maakt dat niet anders. De met het aanmaken van een persoonsgebonden Instagram-account geopende mogelijkheid voor gebruiker om via een site of app beelden of andere gegevens uit te wisselen, is niet met dergelijke objecten gelijk te stellen. Volgt verwerping. Samenhang met 21/01244 B.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken