HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:60

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op waardegoederen, gegevensdragers en administratie onder klagers (3 rechtspersonen en hun directeur/enig aandeelhouder) en beslag ex art. 94a Sv op banktegoeden, sieraden en geld onder directeur t.z.v. verdenking van illegale export van grote hoeveelheden verwerkte dierlijke eiwitten naar landen buiten EU en daarbij gebruik maken van vervalste handelsdocumenten. 1. Subsidiariteit en zekerheidstelling ex art. 118a Sv. Is voortzetting van het o.g.v. art. 94a Sv onder directeur gelegde beslag in overeenstemming met eis van subsidiariteit? 2. Verschoningsrecht. Had Rb procedure van art. 98 Sv moeten volgen? Ad 1. Art. 118a Sv biedt in het geval van conservatoir beslag o.g.v. art. 94a Sv de mogelijkheid van teruggave onder zekerheidstelling. Als OM bij een dergelijk beslag weigert om voorwerp onder zekerheidstelling terug te geven, kan belanghebbende o.g.v. art. 552a Sv klagen over voortduring van beslag. Beklagrechter beoordeelt dan of sprake is van een toereikend onderbouwd aanbod tot zekerheidstelling dat een aanvaardbaar alternatief kan bieden voor gelegd conservatoir beslag op voorwerp. Indien dat het geval is, toetst beklagrechter of dit aanbod (mede in het licht van de door OM aan zekerheidstelling gestelde voorwaarden) meebrengt dat voortzetting van beslag niet langer in overeenstemming is met eis van subsidiariteit. Alvorens hierover definitief te beslissen kan beklagrechter de behandeling van klaagschrift aanhouden teneinde klager in de gelegenheid te stellen om met OM tot een vergelijk te komen over de aan vervangende zekerheid gestelde voorwaarden. Rb heeft kennelijk geoordeeld dat, ook in het licht van wat namens directeur tijdens behandeling van klaagschrift in raadkamer is aangevoerd over aanbod tot zekerheidstelling a.b.i. art. 118a Sv, voortzetting van het o.g.v. art. 94a Sv onder hem gelegde beslag in overeenstemming is met eis van subsidiariteit. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van verhandelde in raadkamer, i.h.b. over omstandigheid dat aanbod bestond uit het vestigen van een recht van hypotheek op woning die niet aan klager toebehoorde, toereikend gemotiveerd. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1048 m.b.t. gevallen waarin beslagene, niet zijnde verschoningsgerechtigde, in beklagprocedure aanvoert dat geheimhouder bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen t.a.v. onder hem inbeslaggenomen stukken of gegevens die door hem zijn uitgeleverd ter inbeslagneming dan wel gegevens die ex art. 125i Sv zijn vastgelegd, en gevallen waarin sprake is van grote hoeveelheid (digitale) stukken of gegevens die volgens beslagene onder verschoningsrecht van geheimhouders vallen en waarin stukken of gegevens in relatie lijken te staan tot verschillende geheimhouders van wie identiteit of contactgegeven onbekend is. Oordeel Rb dat art. 98 Sv niet van toepassing is is omdat “dat artikel ziet op inbeslagname/doorzoeking bij functioneel verschoningsgerechtigden”, is onjuist. Nu uit vaststellingen Rb volgt dat klagers hebben aangevoerd dat zich onder inbeslaggenomen bankbescheiden, fysieke administratie en datadragers met digitale administratie geheimhouderstukken bevinden en RC daarover (nog) niet heeft beslist, had Rb de behandeling van klaagschrift moeten aanhouden en zaak in handen van RC moeten stellen teneinde beschikking te geven a.b.i. art. 98.1 Sv. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken