HR 18 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:21
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. belediging ambtenaar in functie, meermalen gepleegd (art. 266 jo. 267 Sr). Aanwezigheidsrecht, kennisgeving ander aanvangstijdstip tz. in hoger beroep per gewone post. Nadat dagvaarding in h.b. is uitgereikt aan huisgenoot van verdachte op zijn BRP-adres, is verdachte bij gewone brief gericht aan zijn BRP-adres bericht dat tijdstip van tz. in h.b. met 10 minuten is vervroegd, waarna verdachte niet ttz. is verschenen. Wet staat er niet aan in de weg dat verandering van tijdstip op de voor tz. bepaalde datum wordt vastgesteld maar wet schrijft niet voor op welke wijze de wijziging van dat tijdstip aan verdachte bekend moet worden gemaakt. Voorkomen moet worden dat verdachte door zo’n wijziging in zijn verdedigingsrecht (i.h.b. recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht) wordt benadeeld. Aan dat vereiste wordt in ieder geval voldaan door betekening van aanzegging van dat gewijzigde tijdstip of door betekening van nieuwe dagvaarding of oproeping onder intrekking van eerdere dagvaarding of oproeping. Hoewel i.c. de kennisgeving van ander tijdstip van tz. niet op de hiervoor bedoelde wijze heeft plaatsgevonden, is ’s hofs kennelijke oordeel dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht en dat tegen hem verstek kon worden verleend, niet onbegrijpelijk. HR neemt daarbij i.h.b. in aanmerking dat aanvangstijdstip van tz. met niet méér dan 10 minuten is vervroegd, dat aan verdachte al op 25-05-2020 per gewone brief de bekendmaking van gewijzigd tijdstip (op 15-07-2020) is verzonden, dat blijkens p-v van tz. in h.b. na aanvang van die tz. eerst nog door griffier telefonisch contact met raadsman is opgenomen alvorens onderzoek ttz. is gesloten en dat in cassatie niet is gesteld dat verdachte op oorspronkelijke aanvangstijd in gerechtsgebouw van hof aanwezig was. Volgt verwerping. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl