HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1728
Telen van hennep, art. 3.B Opiumwet. Post Keskin. Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan verzoek tot het horen van getuige op de grond dat verzoek onvoldoende is onderbouwd. Gebruik van getuigenverklaring voor bewijs. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 (post-Keskin) m.b.t. beoordeling van verzoeken tot oproepen en horen van getuigen door feitenrechter in situatie dat zo’n verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al (in vooronderzoek of anderszins) verklaring heeft afgelegd met belastende strekking. Uit dat arrest volgt ook dat rechter het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen niettemin kan afwijzen, o.m. als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door verdachte niet worden betwist of als die f&o door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Voor bewijs gebruikte verklaringen van getuige houden in dat zij heeft waargenomen dat er dagelijks iemand bij het huis komt (waarin hennep werd geteeld) en dat zij, toen opsporingsambtenaar haar een foto van verdachte toonde, de persoon op de foto heeft herkend als de man die vrijwel dagelijks bij het huis komt. Verdachte heeft ttz. in hoger beroep verklaard dat hij vrijwel dagelijks bij het huis kwam. Gelet daarop doet zich de hiervoor bedoelde situatie voor dat de door getuige afgelegde verklaringen betrekking hebben op f&o die door verdachte niet worden betwist. Daaruit volgt dat zich niet de situatie voordoet waarin hof, vanwege het gebruik van verklaringen van getuige voor het bewijs, het belang bij het oproepen en horen van deze getuige had moeten vooronderstellen en het van verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang had mogen verlangen. Volgt verwerping. Samenhang met 21/01183 P.
De uitspraak op rechtspraak.nl