HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:152

Medeplegen van (verlengde) invoer van cocaïne vanuit Colombia via België (waar politie grootste deel van 3.800 kilo cocaïne uit container haalt) naar Nederland (art. 2.A Opiumwet) en medeplegen van vervoer van die hoeveelheid cocaïne (art. 2.B Opiumwet). Bewijsklacht “zeer grote hoeveelheid” cocaïne. Aan verdachte is niet tlgd (het medeplegen van) het voorbereiden van of een poging tot het binnenbrengen en vervoeren van een grotere partij verdovende middelen dan uiteindelijk is binnengebracht en vervoerd. Uit de bewijsvoering volgt dat hof onder “een zeer grote hoeveelheid” heeft verstaan een hoeveelheid van ongeveer 3.800 kilogram cocaïne, en dat het bewezenverklaarde tezamen en in vereniging met anderen binnen het grondgebied van Nederland brengen en het vervoeren betrekking heeft op het transport van de container vanuit de haven van Antwerpen naar de loods in Breda. Gelet daarop heeft hof de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. Uit ’s hofs vaststellingen volgt immers dat de container die door verdachte is vervoerd en Nederland is binnengebracht, niet ongeveer 3.800 kilogram maar ongeveer 1,5 kilogram cocaïne bevatte. Aan het vorenstaande doet niet af dat hof tevens in aanmerking heeft genomen dat verdachte “zowel betrokken is geweest bij de voorbereiding van de verlengde invoer in Nederland - vanuit Antwerpen - als bij de daadwerkelijke invoer, het transport en de uiteindelijke aflevering van de drugs in de loods” waarbij de “voorbereidende handelingen hebben plaatsgevonden vóór de inbeslagname van de cocaïne door de Belgische autoriteiten”. De bewezenverklaring heeft immers betrekking op (het medeplegen van) de voltooide delicten van het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het vervoeren van verdovende middelen. Ook de omschrijving in art. 1.4 Opiumwet van het binnen het grondgebied van Nederland brengen geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Weliswaar omvat het binnen het grondgebied van Nederland brengen o.m. elke op het verder vervoer gerichte handeling, maar daarbij gaat het alleen om de handeling die is gericht op het verder vervoer van middelen die binnen het grondgebied van Nederland “zijn gebracht”. Hof mocht dus ook bij de strafoplegging niet uitgaan van de vaststelling dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de verlengde invoer en het vervoeren van 3.800 kilogram aan cocaïne. Daarbij verdient wel opmerking dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat hof in een geval als dit na een eventuele bewezenverklaring van het medeplegen van de verlengde invoer en het vervoeren van de niet inbeslaggenomen, daadwerkelijk ingevoerde en vervoerde hoeveelheid van 1,5 kilogram cocaïne, bij de strafoplegging de omstandigheid betrekt dat het plan van de invoer en het vervoer was gericht op 3.800 kilogram. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen