HR 1 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1481
Opzettelijk aanwezig hebben MDMA (art. 2.C Opiumwet) en voorhanden hebben vouwmes (art. 27.1 WWM). 1. Vormverzuimen bij dan wel onrechtmatigheid van fouillering in het openbaar a.b.i. art. 55b.2 Sv, nu verdachte niet is staande gehouden en/of aangehouden alvorens hij aan zijn kleding werd onderzocht? 2. Bewijsklacht voorhanden hebben vouwmes. Kan uit aard van het voorwerp (vouwmes van 27 cm lang in opengevouwen toestand) en omstandigheid waaronder het is aangetroffen (direct voor het grijpen, achter broeksband, terwijl verdachte ook 28,9 tabletten MDMA bij zich droeg) worden afgeleid dat sprake is van overtreding van art. 27.1 WWM? HR: art. 81.1 RO.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/01562
Datum 1 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2021, nummer 23-001698-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2022.