HR 6 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1137

Herziening. Opzettelijk auto aan het krachtens de wet daarop gelegde beslag onttrekken (art. 198.1 Sr). Aangevoerd wordt dat sprake is van een gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv op de grond dat uit (civiel) vonnis is gebleken dat t.t.v. beslaglegging de schuldeiser juist geldbedrag verschuldigd was aan aanvrager, welk bedrag de vordering op aanvrager die aanleiding was voor beslag te boven ging. Art. 198 Sr beoogt niet de belangen van beslaglegger te waarborgen, maar strekt tot eerbiediging van een daad van openbaar gezag (vgl. HR:1995:ZD0176). Met woorden ‘krachtens de wet’ in art. 198.1 Sr wordt daarbij tot uitdrukking gebracht dat beslag op de in de wet voorgeschreven wijze moet zijn gelegd (vgl. HR:2021:1878). Dat betekent dat strafrechter, als het gaat om civiel beslag, bij beoordeling van een op art. 198.1 Sr toegesneden tll. kan toetsen of beslag op de in Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorschreven wijze is gelegd. Die toets strekt zich echter niet uit tot beoordeling van materiële juistheid van vordering die aan beslag ten grondslag ligt. Het vorenstaande brengt met zich dat aanvraag niet ernstig vermoeden wekt dat hof, als het bekend was geweest met wat daarin wordt gesteld over vordering van aanvrager op schuldeiser, niet tot oordeel was gekomen (en had kunnen komen) dat beslag op auto ‘krachtens de wet’ was gelegd. Afwijzing aanvraag. Vervolg op HR:2020:125 (strafzaak).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken