HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:984

Belastingfraude. HR maakt opmerkingen over wijziging van regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI) na i.w.tr. Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021. O.g.v. (gewijzigd) art. IV.3 van de Wet straffen en beschermen geldt dat bij veroordelingen tot vrijheidsstraf die door Rb of hof zijn uitgesproken voor 1 juli 2021, de VI wordt toegepast met inachtneming van daarop betrekking hebbende artikelen zoals die voor 1 juli 2021 luidden. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn zal HR i.c. uitspraak van het hof vernietigen, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en die duur verminderen. Het gaat daarmee om aanpassing van de gevangenisstraf die bij veroordeling door hof is opgelegd, en niet om een veroordeling door HR tot gevangenisstraf. In aanmerking genomen dat bestreden uitspraak voor 1 juli 2021 is gewezen en hof de veroordeling tot vrijheidsstraf dus heeft uitgesproken voor 1 juli 2021, vindt (gewijzigd) art. IV.3 van de Wet straffen en beschermen toepassing. Dat betekent dat bij deze veroordeling VI wordt toegepast met inachtneming van daarop betrekking hebbende artikelen zoals die voor 1 juli 2021 luidden. Ook in andere gevallen waarin de in cassatie bestreden uitspraak voor 1 juli 2021 is gewezen en HR vervolgens de sanctieoplegging wijzigt zonder dat daarbij de veroordeling tot vrijheidsstraf wordt vernietigd - bijv. als uitspraak van hof wordt vernietigd v.zv. bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast en wordt bepaald dat gijzeling kan worden toegepast - geldt dat VI wordt toegepast met inachtneming van daarop betrekking hebbende artikelen zoals die voor 1 juli 2021 luidden. HR m.b.t. de middelen: art. 81.1 RO. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen