HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:936
Medeplegen invoer cocaïne (art. 2.A Opiumwet). Schending aanwezigheidsrecht, nu verdachte t.g.v. grootschalige verkeersopstopping enkele uren kwam vast te zitten in verkeer, waardoor hij hof niet meer tijdig kon bereiken om tz. bij te wonen? Uitgangspunt is dat als dagvaarding van verdachte die is ingeschreven in BRP geldig is betekend, verdachte niet op tz. is verschenen en door verdachte uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman niet verzoekt behandeling van zaak aan te houden met het oog op uitoefening van aanwezigheidsrecht door verdachte, rechter (behoudens duidelijke aanwijzingen van tegendeel) kan uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. I.c. is dagvaarding in persoon betekend en was verdachte blijkens mededeling van gemachtigd raadsman van zitting en aanvangstijdstip op de hoogte. Raadsman heeft verder medegedeeld dat hij uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsman verdachte te verdedigen en dat met behandeling van zaak kan worden voortgegaan. Aan schriftuur gehechte stukken bieden onvoldoende grond voor oordeel dat sprake is van situatie waarin achteraf moet worden vastgesteld dat aan recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Uit deze stukken volgt immers niet z.m. dat verdachte zich ook daadwerkelijk in deze verkeersopstopping bevond noch waarom verdachte zijn raadsman en/of hof niet voorafgaande aan tz. heeft kunnen informeren over zijn situatie dan wel verdachte of zijn raadsman in periode van 14 dagen tussen tz. en uitspraak niet hof hierover heeft kunnen informeren. Gestelde schending van aanwezigheidsrecht is dus onvoldoende onderbouwd. Volgt verwerping. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl