HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:853

Aanwezig hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en voorbereidingshandelingen m.b.t. handel in cocaïne (art. 10.1.3 Opiumwet). Cautie ex art. 29.2 Sv. Hadden opsporingsambtenaren verdachte de cautie moeten geven voordat ze hem vroegen of hij drugs bij zich had? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:2056 m.b.t. redelijk vermoeden van schuld en verhoorsituatie. Hof heeft geoordeeld dat aan verdachte niet de in art. 29.2 Sv bedoelde mededeling hoefde te worden gedaan voorafgaand aan de door opsporingsambtenaren gestelde vragen “of hij spullen bij zich had welke hij niet bij zich mocht hebben” en “of hij verdovende middelen bij zich had”, omdat deze vragen niet gaan over betrokkenheid van verdachte bij strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof kennelijk heeft geoordeeld dat op het moment dat opsporingsambtenaren de hiervoor bedoelde vragen aan verdachte stelden, (nog) geen redelijk vermoeden van schuld bestond t.z.v. aanwezig hebben van verboden spullen in het algemeen of van overtredingen van Opiumwet, omdat deze opsporingsambtenaren niet meer hadden geconstateerd dan dat verdachte zich zonder redelijk doel ophield bij een portiek. Omstandigheid dat opsporingsambtenaren de verdachte daarbij meenden te herkennen als een hun ambtshalve bekende drugsgebruiker of -dealer maakt dit niet anders. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken