HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:787
Jeugdzaak. Overtreding gebiedsverbod burgemeester, art. 184.1 Sr. Onderzoek door strafrechter naar rechtmatigheid bevel, terwijl bestuursrechtelijke rechtsgang nog loopt. 1. Aanhoudingsverzoek op de grond dat bestuursrechter nog niet definitief heeft geoordeeld of gebiedsverbod rechtmatig aan verdachte is opgelegd. 2. Was hof gehouden onderzoek te doen naar rechtmatigheid van het aan verdachte opgelegde gebiedsverbod? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:1990:AC2273 m.b.t. de vraag wanneer sprake is van een “krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel” ex art. 184.1 Sr en HR:2007:AZ6007 over de taak van strafrechter wanneer verbindendheid van wettelijk voorschrift en rechtmatigheid van bevel wordt betwist. Daarop moet strafrechter gemotiveerd beslissen. Dat geldt niet alleen indien tegen betreffend bevel een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat of heeft opengestaan en verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt door een beroep op bestuursrechter te doen. Hetzelfde geldt als, zoals hier, wel van die bestuursrechtelijke rechtsgang gebruik is gemaakt maar nog geen sprake is van onherroepelijke uitspraak van (hoogste) bestuursrechter. Hof heeft verzoek om aanhouding op goede gronden afgewezen. Ad 2. In ‘s hofs oordeel ligt besloten dat wettelijk voorschrift (art. 171 en 172a Gemeentewet) verbindend is en dat bevel (opgelegd gebiedsverbod) rechtmatig is gegeven. Hof heeft wat door en namens verdachte over gebiedsverbod is aangevoerd kennelijk niet opgevat als verweer dat betrekking heeft op verbindendheid van de in tll. genoemde wettelijke grondslag of rechtmatigheid van de uitoefening van de daarop berustende bevoegdheidsuitoefening. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, gelet op globale en beperkte aard van ttz. genoemde bezwaren. Volgt verwerping. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl