HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:625

Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedrag onder ander, die laptops en iPads van zijn werkgever heeft ontvreemd en goederen heeft verkocht aan klager, t.z.v. verdenking van verduistering in dienstbetrekking. 1. Moet klager als eigenaar van geldbedrag worden gezien? 2. Heeft Rb klager terecht n-o verklaard in zijn beklag? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BL2823 m.b.t. te hanteren maatstaf indien ex art. 94a Sv beslag rust op inbeslaggenomen voorwerp en een derde in beklagprocedure ex art. 552a Sv om teruggave verzoekt. Oordeel Rb dat zich niet het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar van geldbedrag moet worden aangemerkt, geeft gelet op hetgeen is vooropgesteld en in het licht van wat namens klager is aangevoerd niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Rb heeft miskend dat voor vraag of klager als belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv kan gelden en dientengevolge in beklag kan worden ontvangen, niet beslissend is of hij als eigenaar van geldbedrag kan worden aangemerkt maar of hij heeft gesteld daarvan eigenaar te zijn (vgl. HR:2004:AN8586). Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden, omdat Rb blijkens haar beschikking het klaagschrift en daarin ingenomen stellingen over aanspraken van klager inhoudelijk heeft beoordeeld zoals hiervoor is weergegeven. Uitgaande van dat oordeel had Rb beklag slechts ongegrond kunnen verklaren. Volgt verwerping. CAG: anders. Vervolg op HR:2019:1018.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken