HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:509
Openlijke geweldpleging tegen steward in voetbalstadion in Tilburg, art. 141.1 Sr. Eigen waarneming hof van ttz. getoonde camerabeelden als bewijsmiddel, art. 339.1 Sv jo 340 Sv. Is verdachte verrast door gebruik van eigen waarneming hof zonder dat inhoud van die waarneming ttz. ter sprake is gebracht? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AX6414 t.a.v. ratio van art. 340 Sv en ECLI:NL:HR:2019:1414 m.b.t. vraag wanneer rechter gehouden is eigen waarneming van opname van beeld en/of geluid nader ttz. aan de orde te stellen. P-v van tz. in h.b. houdt in dat daar p-v van politie ter sprake is gebracht, waarin is gerelateerd dat op camerabeelden is waargenomen dat verdachte “meerdere malen een duwende beweging maakt richting steward”. Ook is daar ter sprake gebracht dat verdachte bij politie n.a.v. getoonde camerabeelden heeft verklaard dat hij steward “een paar duwen en flinke tikken gaf, welke niet raak waren”. Verder heeft raadsman van verdachte zich ttz. in h.b. in relatie tot die verklaring uitgelaten over getoonde camerabeelden en heeft hij in zijn pleitnota in h.b. een standpunt ingenomen over duwende bewegingen richting steward, bedoeld in voornoemd p-v van politie. ’s Hofs kennelijke oordeel dat, gelet op dit procesverloop en op inhoud van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal, verdediging niet verrast zou worden door gebruik voor bewijs van waarneming van hof, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat die waarneming (die er op neerkomt dat gedragingen van verdachte zich niet beperkten tot eenmalige duw) niet wezenlijk verschilt van inhoud van door hof voorgehouden stukken. Volgt verwerping. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl