HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1969
Gijzeling, art. 282a.1 Sr. Heeft verdachte aangeefster van haar vrijheid beroofd en beroofd gehouden met het oogmerk haar zoon te dwingen iets te doen of niet te doen? Bestanddeel van art. 282a Sr is handelen "met oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen”. Dader van het in art. 282a Sr omschreven feit is daarom slechts strafbaar indien hij handelt met oogmerk “een ander” dan gijzelaar te dwingen iets te doen of niet te doen (vgl. HR:2015:1695). Uit verdragscontext en wetsgeschiedenis bij art. 282a Sr volgt bovendien (in overeenstemming met gewoon spraakgebruik) dat verdachte daarbij moet handelen met oogmerk om die ander onder druk van wederrechtelijk van vrijheid beroven of beroofd houden van iemand te dwingen iets te doen of niet te doen. Opvatting dat voor veroordeling t.z.v. art. 282a.1 Sr moet komen vast te staan dat verdachte de ander al daadwerkelijk heeft gedwongen iets te doen of niet te doen, dan wel al daadwerkelijk heeft geprobeerd ander te dwingen iets te doen of niet te doen, is onjuist. Uit bewijsmotivering volgt niet z.m. dat verdachte hiervoor omschreven oogmerk had. Hof heeft immers in dat verband niet meer vastgesteld dan dat verdachte de aangeefster onder bedreiging van vuurwapen heeft gedwongen haar woning in te gaan, hij in woning van aangeefster is gebleven, haar is blijven bedreigen en tegen haar heeft gezegd dat zij de volgende dag haar zoon moest bellen en dan tegen hem moest zeggen dat hij de regionale omroep moest bellen om te zeggen dat verdachte onschuldig heeft vastgezeten in de zaak van “de Bende van Venlo”. Daarmee heeft hof ontoereikend gemotiveerd dat verdachte het oogmerk had zoon van aangeefster onder druk van vrijheidsberoving van aangeefster te dwingen iets te doen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl