HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1624

Voorhanden hebben busjes pepperspray (art. 26.1 WWM) en valsheid in geschrift m.b.t. uitkeringsformulieren en salarisspecificatie (art. 225.1 Sr). 1. Bewijsklacht t.a.v. voorhanden hebben busjes pepperspray. Zijn busjes pepperspray bestemd voor het treffen van personen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof? 2. Schending nemo tenetur-beginsel door aan bewezenverklaring van valsheid in geschrift mede ten grondslag te leggen dat verdachte ten onrechte geen melding heeft gemaakt van inkomsten uit strafbare feiten? 3. Specialiteit in de zin van art. 55.2 Sr. Moet art. 227b Sr worden aangemerkt als bijzondere strafbepaling t.o.v. art. 225.1 Sr? Ad 1. Voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof a.b.i. art. 2.1.II.6 WWM zijn voorwerpen die naar hun aard bestemd zijn voor het treffen van personen met een dergelijke stof (vgl. t.a.v. art. 2.1.II.7 WWM, HR:2009:BG7763). Opvatting dat uitsluitend sprake kan zijn van een voorwerp a.b.i. art. 2.1.II.6 WWM als is vastgesteld dat het tlgd. voorwerp een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof bevat, is onjuist. Het gaat er immers om of het een voorwerp betreft dat naar zijn aard bestemd is om personen te treffen met een dergelijke stof. De enkele omstandigheid dat een voorwerp mogelijk niet een zodanige stof bevat, brengt niet met zich dat die bestemming ontbreekt. In aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering volgt dat op elk van de aangetroffen busjes was vermeld dat het “pepperspray/(Oleoresin) Capsicum” betrof, en verdachte en zijn vrouw ieder hebben verklaard dat zij ter bescherming deze busjes pepperspray voorhanden hadden, is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Dat op een van de op 16-12-2011 aangetroffen busjes als houdbaarheidsdatum 31-12-2010 is vermeld, doet daaraan niet af. Ad 2. Blijkens de bewijsvoering heeft verdachte, toen hij aanspraak maakte op een uitkering ex WWB, in de daarbij vereiste “inkomensverklaring WWB” telkens op de vraag of hij inkomsten genoot als antwoord “Neen” opgegeven, terwijl verdachte op dat moment wel inkomsten genoot, zodat de gegeven antwoorden in strijd met de waarheid waren. De enkele omstandigheid dat hof in de bewijsvoering daarbij tot uitdrukking heeft gebracht dat die inkomsten mede “inkomsten uit criminele activiteiten en het witwassen van gelden” betroffen, brengt niet met zich dat het recht van verdachte om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis is ontdaan. Ad 3. Opvatting dat strafbepaling van art. 227b Sr zich t.o.v. art. 225.1 Sr, waarop het tlgd. is toegesneden, verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling, in die zin dat in een geval als het onderhavige uitsluitend art. 227b Sr mag worden toegepast, is onjuist. Art. 227b Sr bevat niet alle bestanddelen van art. 225.1 Sr, terwijl wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten bevat voor opvatting dat art. 227b Sr niettemin moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling in de zin van art. 55.2 Sr. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken