HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1570
Medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben hennep, art. 3.C Opiumwet. Aanhoudingsverzoek gemachtigde raadsman ttz. in hoger beroep op de grond dat verdachte mogelijk geen weet heeft van zitting, door hof afgewezen met overweging dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte daadwerkelijk in feitelijke onmogelijkheid is om aanwezig te zijn. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1158 en HR:2019:1142 m.b.t. beoordeling van aanhoudingsverzoek in situatie waarin raadsman op tz. aangeeft dat hij niet weet waarom verdachte niet is verschenen en dat hij het mogelijk acht dat verdachte geen weet heeft van zitting en om die reden aanhoudingsverzoek doet. Hof heeft verzoek tot aanhouding van onderzoek ttz. afgewezen op de grond dat “niet aannemelijk is geworden dat verdachte daadwerkelijk in feitelijke onmogelijkheid is om aanwezig te zijn”. Nu hof niet heeft vastgesteld dat verdachte op de hoogte is geraakt van zittingsdatum, had hof afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen, waarbij het betekenis had kunnen toekennen aan omstandigheid dat dagvaarding in h.b. op rechtsgeldige wijze is betekend. Hof heeft er echter niet blijk van gegeven die afweging te hebben gemaakt. Hof heeft daarom afwijzing aanhoudingsverzoek ttz. ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 20/02248.
De uitspraak op rechtspraak.nl