HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1501

Profijtontneming, w.v.v. uit diefstal en witwassen. 1. Heeft hof vastgesteld dat w.v.v. is verkregen d.m.v. of uit baten van “soortgelijke” feiten? Art. 36e.2 (oud) Sr. 2. Heeft hof bij schatting w.v.v. miskend dat omstandigheid dat goederen voorwerp zijn van witwassen niet meebrengt dat zij daardoor w.v.v. betreffen? Ad 1. Nu bewezenverklaarde feiten zijn begaan na 1-7-2011, zijn art. 36e.1 en 36e.2 Sr van toepassing zoals die luiden sinds 1-7-2011 en mag opgelegde ontnemingsmaatregel mede betrekking hebben op “andere” strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan. Dat brengt met zich dat ook als zou moeten worden aangenomen dat de door hof bij oplegging van ontnemingsmaatregel in aanmerking genomen feiten niet als “soortgelijk” aan bewezenverklaarde feiten kunnen worden aangemerkt, hof die feiten als “andere” strafbare feiten bij die oplegging heeft mogen betrekken. Ad 2. Hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat betrokkene niet alleen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit bewezenverklaarde feiten maar ook uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door betrokkene zijn begaan. Uit ‘s hofs vaststellingen volgt dat andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door betrokkene zijn begaan, betrekking hebben op eigen misdrijven van betrokkene die hebben geleid tot verkrijging van voorwerpen die hij vervolgens heeft verkocht. Hof heeft dus niet geoordeeld dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen d.m.v. of uit baten van eenvoudig witwassen. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen