HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1444

Profijtontneming, w.v.v. uit witwassen. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e.2 en 36e.3 Sr. Kon hof de geldbedragen die voorwerp waren van witwassen aanmerken als w.v.v. uit witwassen? In strafzaak is bewezenverklaard dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen (meermalen gepleegd) van geldbedrag van € 38.257 in periode 1-1-2010 tot en met 9-5-2012. Hof heeft dat geldbedrag, dat contant op bankrekening van betrokkene is gestort, aangemerkt als w.v.v. Hof heeft daarbij niet tot uitdrukking gebracht of het toepassing heeft gegeven aan art. 36e.2 of 36e.3 Sr. Als hof heeft bedoeld art. 36e.2 Sr toe te passen en dus heeft geoordeeld dat betrokkene dit w.v.v. heeft verkregen d.m.v. of uit baten van bewezenverklaard witwassen, is dat oordeel kennelijk gebaseerd op opvatting dat contante stortingen w.v.v. vormen alleen al doordat zij voorwerp waren van bewezenverklaard witwassen. Die opvatting is onjuist (vgl. HR:2021:1077). Als hof heeft geoordeeld dat andere strafbare feiten a.b.i. art. 36e.2 Sr en/of, v.zv. deze zijn begaan voor 1-7-2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor geldboete van vijfde categorie kan worden opgelegd, ertoe hebben geleid dat betrokkene het w.v.v. heeft verkregen, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd. Uit ‘s hofs overwegingen kan immers niet blijken dat voldoende aanwijzingen bestaan dat die feiten door betrokkene zijn begaan en dat d.m.v. of uit baten van die feiten het w.v.v. is verkregen. Als hof heeft bedoeld art. 36e.3 Sr toe te passen en dus heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat betrokkene w.v.v. heeft verkregen is dat oordeel eveneens ontoereikend gemotiveerd. Uit ‘s hofs overwegingen blijkt immers niet dat aan de in die bepaling gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan. I.h.b. is van belang dat art. 36e.3 (oud) Sr het vereiste kende dat strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, terwijl misdrijven waarvoor betrokkene is veroordeeld, zijn begaan in periode die gedeeltelijk voor en gedeeltelijk na 1-7-2011 viel en uit bewezenverklaring niet blijkt op welke data de afzonderlijke misdrijven zijn gepleegd (vgl. HR:2016:2714 en HR:2019:1888). Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/05817.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken