HR 26 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:109

Profijtontneming, w.v.v. uit diefstal en oplichting. Wijziging van lijfsdwang in gijzeling bij tul van ontnemingsmaatregel t.g.v. Wet USB. Niet-bepaalde duur van gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd. Moet a.g.v. wijziging van art. 36e Sr t.g.v. Wet USB m.i.v. 1-1-2020 toepassing worden gegeven aan de voor betrokkene gunstigere bepaling van art. 36e.11 Sr ook al is ‘s hofs uitspraak vóór 1-1-2020 gewezen? In situatie dat ontnemingsmaatregel is opgelegd vóór 1-1-2020 heeft rechter bij die oplegging niet duur van gijzeling bepaald die met toepassing van art. 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd. Redelijke wetsuitleg brengt in zo’n geval met zich dat als OM een vordering doet om te worden gemachtigd gijzeling toe te passen en rechter die vordering toewijst, rechter de duur van de gijzeling bepaalt. Daarbij rekent hij, conform 4e volzin van art.6:6:25.4 Sv, voor elke volle € 25 van bedrag waarvoor verhaal is gezocht, niet meer dan 1 dag aan gijzeling. V.zv. in zo’n geval bedrag waarvoor verhaal is gezocht, i.v.m. kosten van verhaal hoger is dan bedrag waarvoor ontnemingsmaatregel is opgelegd, gaat rechter bij toepassing van 4e volzin van art. 6:6:25.4 Sv uit van bedrag waarvoor ontnemingsmaatregel is opgelegd. In alle gevallen beloopt, conform 3e volzin van art. 36e.11 Sr, duur van gijzeling ten hoogste 3 jaar. Gelet hierop heeft betrokkene geen belang bij zijn klacht dat i.c. toepassing moet worden gegeven aan art. 36e.11 Sr. Volgt verwerping. Samenhang met ECLI:NL:HR:2020:1873 en ECLI:NL:HR:2020:1874.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen