HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1046

Herziening. Feitelijk leiding geven aan opzettelijk (namens BV) indienen van valse verwijskaarten bij zorgverzekeraars door KNO arts, art. 225.2 Sr. Heeft Rb ten onrechte aangenomen dat verwijskaarten bewijsbestemming hebben? Aangevoerd wordt (onder verwijzing naar bij aanvraag gevoegde documenten) dat sprake is van een gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv op de grond dat 4 door Rb als vals aangemerkte verwijskaarten niet bestemd waren te dienen tot bewijs van enig feit a.b.i. art. 225 Sr, omdat verwijskaarten “niet noodzakelijk [waren] voor zorgverlening of rechtmatige declaratie” door aanvrager en zij “geen verwijzing i.d.z.v. art. 14.2 Zorgverzekeringswet” betreffen. Rb heeft vastgesteld dat aanvrager verwijskaarten, waarop in strijd met waarheid was vermeld dat patiënt voor consult was gezien door daartoe in werkelijkheid niet geraadpleegde arts, aan zorgverzekeraars heeft gestuurd toen deze i.h.k.v. onderzoek naar zijn declaratiegedrag werden opgevraagd. Indien uit overgelegde documenten al kan blijken dat deze verwijskaarten geen verwijzingen waren in de zin van Zorgverzekeringswet, wekt dat gegeven niet ernstig vermoeden dat, als deze documenten bekend zouden zijn geweest bij Rb, het onderzoek van zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van aanvrager. Daarbij is van belang dat uitleg van vraag of sprake is van geschrift waaraan in maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van geschrift dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen a.b.i. art. 225 Sr, is voorbehouden aan strafrechter. V.zv. aanvraag berust op stelling dat in uitspraak Rb sprake is van onjuiste toepassing van recht, heeft deze niet betrekking op ‘gegeven’, nu (zoals ook in wetsgeschiedenis bevestigd) (mogelijke) onjuiste toepassing geen grond tot herziening kan vormen. Afwijzing aanvraag. Samenhang met 21/02564 H.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen