HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:767
Economische zaak. Opzettelijk militaire goederen zonder vergunning doorvoeren in Nederland, begaan door rechtspersoon (professionele luchtvrachtvervoerder), art. 3:1 Algemene Douanewet. Heeft verdachte opzet gehad op militaire aard van door haar vervoerde goederen? Hof heeft geoordeeld dat o.m. bewezen dient te worden dat verdachtes opzet erop was gericht dat in bewezenverklaring vermelde goederen militair van aard zijn. Bewezenverklaring van dat opzet is evenwel niet toereikend gemotiveerd. V.zv. hof ervan is uitgegaan dat verdachte voorafgaand aan vervoer door verdachte kennis heeft genomen van vervoersdocumenten en op grond daarvan, i.h.b. ‘House Airwaybill’, wist dat transport ‘aircraft parts’ betrof, bestemd voor ‘Ministerio de Defensa Nacional’ te Ecuador, is deze veronderstelling, gelet op bewijsvoering, i.h.b. in b.m. neergelegde verklaring van A, niet z.m. begrijpelijk. Maar ook v.zv. hof ervan is uitgegaan dat verdachte wist dat transport ‘aircraft parts’ betrof, bestemd voor ‘Ministerio de Defensa Nacional’ te Ecuador, kan enkele omstandigheid dat verdachte er gelet op deze gegevens van “had moeten uitgaan dat de goederen een militaire aard hadden”, gevolgtrekking dat bij verdachte sprake is geweest van opzet niet dragen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl