HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:59
Lijkdelen aangetroffen in IJ-meer in Amsterdam in 2009. Medeplegen doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen wegmaken van lijk (art. 151 Sr). Veroordeling in h.b. na vrijspraak in e.a.. Gebruik voor bewijs van verklaringen van getuige die rechter in e.a. onbetrouwbaar heeft geacht en waarvan Hof het opnieuw (doen) horen niet noodzakelijk acht, toelaatbaar i.h.l.v. art. 6 EVRM? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1943 m.b.t motiveringsverplichting ingeval rechter in e.a. heeft doen blijken dat hij t.o.v. opsporingsambtenaar afgelegde, verdachte belastende verklaring van getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor bewijs gebruikt, en rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van tlgd. feit is gekomen, terwijl rechter in h.b. die verklaring wel voor bewijs gebruikt en overweegt dat deze uitgangspunten ook gelden in het geval als i.c., waarin betreffende verklaringen deels t.o.v. opsporingsambtenaren en deels in e.a. in aanwezigheid van de verdediging tegenover RC zijn afgelegd. Deze motiveringsverplichting houdt in dat rechter in h.b. ter waarborging van deugdelijkheid van bewijsbeslissing redenen voor gebruik van die verklaring dient op te geven en i.h.b. moet vermelden op welke gronden hij desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen, maar niet behoeven, te zijn ontleend aan verhoor van getuige in h.b. In dit verband kan voorts van belang zijn de mate waarin verklaring van getuige steun vindt in andere b.m., alsook de door OM tegen vrijspraak aangevoerde bezwaren en procesopstelling van verdachte. Hof heeft geoordeeld dat noodzaak voor opnieuw (doen) horen van de getuige ontbreekt, omdat deze reeds in e.a. in aanwezigheid van de verdediging door RC is gehoord. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de steun die de verklaringen vinden in andere b.m. en mede in aanmerking genomen dat door de verdediging niet concreet is aangegeven waarover de getuige nader zou moeten worden bevraagd. Het niet opnieuw (doen) horen van de getuige staat, ook i.h.l.v. art. 6 EVRM, evenmin in de weg aan gebruik van deze verklaringen voor het bewijs. Met door Hof gegeven motivering dat tegenover politie en RC afgelegde verklaringen van de getuige op belangrijke punten steun vinden in andere b.m. en de verklaringen van verdachte en zijn mededader weerlegging vinden in de overige b.m., heeft Hof immers genoegzaam de redenen opgegeven waarom het, anders dan de Rb, de verklaringen betrouwbaar acht. Volgt verwerping. Samenhang met 18/02491 en 18/05374.
De uitspraak op rechtspraak.nl