HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:541

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 Sr) en mishandeling (art. 300 Sr). Betekening verstekmededeling ex art. 366 Sv en overschrijding redelijke termijn. Middel klaagt dat na het wijzen van het arrest bij het betekenen van de verstekmededeling onvoldoende voortvarendheid is betracht, als gevolg waarvan de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden. HR: Op gronden vermeld in de CAG slaagt het middel. CAG: Vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM3638 rov. 3.3.1 en 3.3.2 waarin de HR overwoog dat van overschrijding van de redelijke termijn sprake kan zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het OM bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. Uit de stukken blijkt niet dat binnen één jaar na het wijzen van het verstekarrest op 26 juli 2013 pogingen zijn ondernomen om de betreffende verstekmededeling op de wijze voorzien in art. 588 Sv te betekenen. Pas op 12 mei 2017 is getracht een verstekmededeling aan verdachte uit te reiken. De verstekmededeling is dus niet met de nodige voortvarendheid a.b.i. 366 lid 1 Sv aan verdachte betekend, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. HR vermindert opgelegde gevangenisstraf met 17 dagen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen