HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:511
Smaad (meermalen gepleegd) door brieven met beschuldigende mededelingen over aangevers te zenden naar directies van hun werkgevers, art. 261.1 Sr. Heeft verdachte gehandeld “met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven” a.b.i. art. 261. Sr? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2848, inhoudende dat onder “ruchtbaarheid geven” a.b.i. art. 261 Sr dient te worden verstaan “ter kennis van publiek brengen”, dat met zodanig “publiek” een bredere kring van betrekkelijk willekeurige personen is bedoeld en dat van “het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven” ook sprake kan zijn indien mededeling aan niet meer dan 1 persoon is gedaan. Uit ‘s hofs bewijsvoering is niet af te leiden dat verdachte brieven met daarin mededelingen over aangevers telkens heeft toegezonden aan directie van werkgever van desbetreffende aangever, met het kennelijke doel om aan die mededelingen ruchtbaarheid in bedoelde zin te geven. Dat, zoals hof heeft overwogen, “niet aannemelijk [is] geworden dat van ontvangers van brieven verwacht kon en mocht worden dat zij daarmee vertrouwelijk zouden omgaan” en “bespreking van inhoud van brieven uiteindelijk niet enkel beperkt [is] gebleven tot de door verdachte aangeschreven ‘directie’ en betrokken benadeelde”, maar ook is besproken met enkele stafleden, is daartoe onvoldoende, mede in aanmerking genomen dat uit bestreden arrest niet blijkt of hof betekenis heeft toegekend aan omstandigheid dat en in hoeverre van (directie van) werkgever discretie m.b.t. informatie aangaande werknemers mag worden verwacht. Bewezenverklaring is op dat punt ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl