HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:5
Poging tot afpersing, art. 317.1 Sr. Veroordeling in h.b. na vrijspraak in e.a., zonder nadere bewijsoverweging. Ambtshalve verplichting tot horen van getuigen wier verklaringen voor bewijs zijn gebruikt? Onderhavige zaak wordt - anders dan ECLI:NL:HR:2018:1943 - niet gekenmerkt door bijzonderheid dat rechter in e.a. heeft doen blijken dat hij t.o.v. opsporingsambtenaar afgelegde, verdachte belastende verklaring van getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor bewijs gebruikt, en rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van tlgd. feit is gekomen, terwijl rechter in h.b. die verklaring wel voor bewijs gebruikt. In dat arrest voor dergelijke specifieke gevallen aanvaarde regel, die inhoudt dat rechter in h.b. ter waarborging van deugdelijkheid van bewijsbeslissing redenen voor gebruik van die verklaring dient op te geven en i.h.b. moet vermelden op welke gronden hij desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen maar niet behoeven te zijn ontleend aan verhoor van getuige in h.b., vindt in deze zaak dan ook geen toepassing (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1485). Evenmin doet zich andere omstandigheid voor op grond waarvan Hof gehouden was ambtshalve personen op te roepen en te horen en/of ambtshalve in b.m. genoemde camerabeelden ttz. te bekijken. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl