HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:433
Economische zaak. Opzettelijke overtreding voorschrift ex. art. 10.45.1.ahf.b Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, door zonder vergunning niet bruikbare stookolie (bunkerolie) in te zamelen. Betreft de in tll. bedoelde stookolie een “afvalstof”? HR stelt voorop dat de tll. is toegesneden op art. 10.45.1 Wmb en dat ‘s hof uitgangspunt juist is dat voor de uitleg van het begrip ‘afvalstoffen’ in die wet moet worden aangesloten bij de in art. 3.1 van Richtlijn 2008/98/EG gegeven omschrijving, te weten: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:1564, dat de rechter alvorens te kunnen oordelen of sprake is van een ‘afvalstof’ moet vaststellen of de houder van wie verdachte de voorwerpen heeft betrokken zich van de desbetreffende voorwerpen heeft ontdaan of voornemens was zich daarvan te ontdoen en dat voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen afvalstoffen zijn, ongeacht of zij bijvoorbeeld substantiële waarde hebben in het economisch verkeer, op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn of niet afgedankt en niet versleten zijn, en zij dat blijven totdat zij de status van afvalstof hebben verloren. Aan ECLI:EU:C:2013:821 en ECLI:EU:C:2019:564 kan worden ontleend dat, in gevallen zoals i.c., in het algemeen geen sprake van een afvalstof indien de houder een goed, stof of product ‘onder gunstige omstandigheden’ wilde exploiteren of verhandelen. In ieder geval dient aan de volgende eisen te zijn voldaan: 1. ‘hergebruik’ is zeker zonder dat daartoe een van de in bijlage II bij de Richtlijn 2008/98/EG bedoelde ‘handelingen voor de nuttige toepassing’ hoeft te worden benut, en 2. indien de houder een goed, stof of product aan een derde verkoopt of overdraagt moet hij aantonen dat hergebruik zeker is, door ervoor te zorgen dat eerst een daartoe noodzakelijke controle heeft plaatsgevonden en een benodigde ‘handeling voor de nuttige toepassing’ of reparatie is benut of verricht. Het hof heeft o.m. vooropgesteld dat A de in de bewezenverklaring bedoelde partij stookolie heeft geleverd t.b.v. het schip B. Deze stookolie voldeed niet aan de specificaties en gaf problemen met de separatoren van de motor van het schip die herhaaldelijk dichtslibden. A heeft daarom de stookolie “in juridische zin teruggenomen” en vervolgens uiteindelijk via twee andere partijen verkocht aan verdachte. De stookolie is vervolgens overgepompt naar motortankschip C, dat was ingehuurd door verdachte. Uit een analyse van de stookolie bleek dat het sedimentgehalte van de stookolie 9 keer hoger was dan de in ‘ISO-norm 8217:2010’ vastgestelde norm. Ook bleek dat de stookolie in de toestand waarin deze zich bevond niet kon dienen als scheepsbrandstof terwijl deze met die bestemming op de markt was gebracht. A heeft n.a.v. de resultaten van de analyse van een monster van de stookolie geen nader onderzoek ingesteld naar de oorzaken voor het te hoge sedimentgehalte. Evenmin heeft A opdracht gegeven om de stookolie zo te bewerken dat de partij alsnog aan de specificaties zou voldoen. Mede o.g.v. deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat A zich heeft ontdaan van de partij niet-bruikbare stookolie en dat die partij als een afvalstof moet worden aangemerkt. Dat oordeel – waarin besloten ligt dat niet is komen vast te staan dat A de stookolie ‘onder gunstige omstandigheden’ wilde verhandelen a.b.i. de jurisprudentie van het HvJ EU, zodat A ‘daadwerkelijk voornemens’ was zich ervan te ontdoen – geeft, gelet op hetgeen is vooropgesteld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl