HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:358
Caribische zaak. Medeplegen van het uitvoeren en aanwezig hebben van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie te Bonaire en Curaçao (art. 3.1 Opiumwet 1960 BES en art. 3.1.A Opiumwet 1960 BES). Ontvankelijkheid cassatieberoep. O.g.v. art. 10.2 Rijkswet cassatierechtspraak staat voor verdachte, die in h.b. bij verstek is veroordeeld, geen beroep in cassatie open. Deze beperking van het recht op toegang tot de cassatierechter is - ook gelet op het procesverloop in deze zaak - niet in strijd met art. 6 EVRM (vgl. EHRM 16 januari 2002, nr. 38055/97, Eliazer/Nederland). Dat de raadsvrouw van de ttz. in h.b. niet verschenen verdachte aldaar het woord ter verdediging heeft gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2267). Verdachte in cassatieberoep n-o.
De uitspraak op rechtspraak.nl