HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:274
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94a Sv op aan 7 klagers (5 rechtspersonen en 2 natuurlijke personen) toebehorende vermogensbestanddelen, waaronder uitstaande leningen, daaruit voortvloeiende rente-inkomsten en huuropbrengsten van camping in Frankrijk, t.z.v. verdenking van o.m. belastingfraude, valsheid in geschrift, witwassen en bankieren zonder vergunning. N.a.v. verweer van raadsman van klagers dat beslag niet in overeenstemming is met eis van proportionaliteit, begrenst Rb beslag tot gemaximeerd bedrag van 30 miljoen euro. Kan conservatoir beslag in zijn totaliteit als disproportioneel worden aangemerkt? Rb heeft geoordeeld dat beslag, v.zv. het niet is gemaximeerd tot bedrag van 30 miljoen euro, in strijd is met eis van proportionaliteit, aangezien “op nagenoeg alle vermogensbestanddelen van klagers beslag [is] gelegd” en klagers door “dit omvangrijke beslag aanzienlijk in hun bedrijfsvoering [worden] belemmerd”. V.zv. dit oordeel erop neerkomt dat belang van klagers zwaarder moet wegen dan strafvorderlijk belang, is het niet toereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen OvJ heeft aangevoerd m.b.t. vermogensbestanddelen die buiten beslag zijn gebleven en aanwezigheid van overige vermogensbestanddelen, terwijl Rb niets concreets heeft vastgesteld over bedrijfsactiviteiten van betrokken rechtspersonen en gevolgen van gelegde beslagen voor hun bedrijfsvoering. V.zv. dit oordeel ertoe strekt dat zich wanverhouding voordoet tussen waarde van inbeslaggenomene en hoogte van eventueel op te leggen betalingsverplichting, is het niet toereikend gemotiveerd, in het licht van mededeling van OvJ dat witwasproces-verbaal en rapportage w.v.v. nog niet zijn opgesteld en dat in eerste berekening van voordeel van 41 miljoen - nadien bijgesteld naar 46 miljoen - euro wordt uitgegaan. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl