HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2034
Verkrachting van 19-jarige vrouw door 39-jarige verdachte in woning van ander bij wie verdachte en aangeefster verblijven, art. 242 Sr. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangever voldoende steun in overig bewijsmateriaal? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. Van schending van art. 342.2 Sv is geen sprake. I.h.b. gelet op verklaring van A dat in huis van B ook verdachte verbleef, dat A van B begreep dat verdachte hem had gevraagd of hij als tegenprestatie voor feit dat hij aangeefster moest wegbrengen, seks met haar kon hebben en dat B verdachte naar aangeefster had gestuurd voor seks met haar, kan immers niet worden gezegd dat voor bewijs gebruikte verklaringen van aangeefster onvoldoende steun vinden in overig bewijsmateriaal. Ad 2. Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
De uitspraak op rechtspraak.nl