HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1374

Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. vordering tot uitlevering ex art. 18 WED door inspectie leefomgeving en transport van facturen m.b.t. import uit China gericht aan BV, waarvan klager aandeelhouder is, t.z.v. verdenking van overtreding van REACH-verordening i.v.m. opslag van uit China geïmporteerde gasflessen met lachgas. Beroep op schending cautieplicht en nemo tenetur beginsel. Absolute competentie, bevoegdheid economische raadkamer. Was gewone raadkamer bevoegd kennis te nemen van klaagschrift, nu klager wordt verdacht van economisch delict? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Zaak heeft betrekking op verdenking van overtreding van REACH-verordening. Art. 9.3.3.1, 9.3.3.2 en 9.3.3.3 Wet milieubeheer bepalen dat het verboden is te handelen in strijd met bepalingen van deze verordening, terwijl in art. 1a.1 en 1a.2 WED overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens art. 9.3.3.1, 9.3.3.2. en 9.3.3.3 Wet milieubeheer, zijn aangewezen als economische delicten. Gelet op ECLI:NL:HR:2007:BB8752 diende daarom economische kamer als raadkamer op te treden. Beschikking houdt echter niet in dat zij is gegeven door economische raadkamer en uit p-v van behandeling van klaagschrift in raadkamer kan evenmin worden afgeleid dat klaagschrift is behandeld door economische raadkamer. Gelet hierop moet het voor worden gehouden dat klaagschrift ten onrechte niet is behandeld door economische raadkamer. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/04733 B.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen