HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:677
Grondslag vordering tul. Verdachte is n-o verklaard in zijn h.b. v.zv. gericht tegen vordering tul. Vonnis Pr is gewezen t.a.v. - ttz. gevoegde - zaken met parketnummers 16-137683-16, 16-659564-14 (tul), 16-036386-17 en 16-239961-16. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat Pr tul heeft gelast van eerder in zaak met parketnummer 16-659564-14 opgelegde straf. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2001:AB0609 dat noch art. 14i.6 Sr noch enige andere rechtsregel eraan in de weg staat dat in art. 14i.6 Sr bedoelde wijziging tijdens onderzoek ttz. in mondelinge vorm wordt gedaan. In aanmerking genomen dat OvJ ttz. in e.a. als zijn standpunt naar voren heeft gebracht dat, 'nu het één zaak is geworden', vordering tul met parketnummer 16-659564-14 is aangebracht onder alle feiten, is ’s Hofs oordeel dat die vordering uitsluitend betrekking heeft op tlgd. onder parketnummer 16-137683-16 niet begrijpelijk. Zijn hierop gebaseerde oordeel dat verdachte n-o is in zijn beroep v.zv. dat is gericht tegen voormelde beslissing op vordering is derhalve evenmin begrijpelijk. Omstandigheid dat A-G ttz. in h.b. van OvJ afwijkend standpunt heeft ingenomen t.a.v. zaken waarop vordering tul zijns inziens (in h.b.) betrekking heeft, maakt dit - nu het om reikwijdte van ingesteld h.b. gaat - niet anders. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl