HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:612
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op woning onder klager t.z.v. verdenking van medeplegen opzettelijk gebruik maken vals geschrift en deelneming criminele organisatie, waarna ex art. 118a Sv zekerheid is gesteld voor woning d.m.v. bankgarantie. Rb heeft klager n-o verklaard, nu beslag op woning door zekerheidstelling is opgeheven en woning is teruggegeven aan klager, zodat beslag is geëindigd en er geen beslag rust op zekerheid (bankgarantie). Schending recht op effectief rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM? Art. 134.2.a jo. 118a.1 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BB9841, inhoudende dat uit art. 134.2.a Sv volgt dat beslag is geëindigd indien ex art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerp na zekerheidstelling a.b.i. art. 118a Sv aan klager is teruggegeven, dat art. 552a Sv niet voorziet in mogelijkheid tot beklag over (uitvoering van) door OM aanvaarde zekerheidstelling en dat burgerlijke rechter bevoegd is voor geschillen omtrent uitvoering van overeengekomen zekerheidstelling. Rb heeft vastgesteld dat t.a.v. onroerende zaak met instemming van klager en OM zekerheid is gesteld a.b.i. art. 118a Sv d.m.v. bankgarantie. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is vooropgesteld, geeft oordeel Rb dat klager n-o is in zijn beklag, v.zv. dat strekt tot opheffing van door klager tot zekerheidstelling verstrekte bankgarantie, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl