HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:441

Zaak van bestuursvoorzitter van woningcorporatie. Meineed door onder ede gehoord als getuige t.o.v. parlementaire enquêtecommissie valse verklaring af te leggen, art. 207.1 Sr. Kunnen verklaringen die verdachte die t.o.v. Parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties (PECW) onder ede heeft afgelegd voor bewijs worden gebruikt? Nemo tenetur-beginsel, art. 6.1 EVRM. Het gaat in deze zaak om verdachte t.a.v. wie is bewezenverklaard dat hij t.o.v. PECW in het verband van een parlementaire enquête opzettelijk onder ede een valse verklaring heeft afgelegd. De voor dergelijke enquête geldende procedure is voorzien in WPE. O.g.v. deze wet zijn getuigen verplicht te voldoen aan oproeping van parlementaire enquêtecommissie en zijn zij verplicht op gestelde vragen te antwoorden. Parlementaire enquêtecommissie kan getuigen onder ede horen. Het niet verschijnen of weigeren te antwoorden op door parlementaire enquêtecommissie gestelde vragen kan leiden tot strafvervolging van desbetreffende getuige ex art. 192 Sr. Opzettelijk onder ede afleggen van valse verklaring door getuige (meineed) is strafbaar o.g.v. art. 207 Sr. WPE voorziet niet in verschoningsrecht voor getuige die zich door beantwoording van vraag t.o.v. parlementaire enquêtecommissie blootstelt aan strafrechtelijke vervolging. In art. 30 en 32 WPE is echter bepaald dat verklaringen die zijn afgelegd op vordering van parlementaire enquêtecommissie, niet als bewijs worden gebruikt in o.m. strafrechtelijke procedure, e.e.a. behoudens o.m. gevallen van meineed. Voorts houdt art. 31 WPE in dat, behoudens schriftelijke toestemming en behoudens o.m. gevallen van meineed, geen informatie wordt verstrekt aan andere personen of organen t.b.v. o.m. strafrechtelijke procedure. In het geval dat getuige verplicht verklaring heeft afgelegd tegenover parlementaire enquêtecommissie, terwijl die getuige nadien als verdachte voor strafrechter terechtstaat, staat art. 30 WPE in de weg aan gebruik van die verklaring als bewijs in strafzaak m.b.t. feit(en) waarop die verklaring betrekking heeft. Op die wijze wordt gewaarborgd dat verdachte niet wordt veroordeeld o.g.v. door hem verplicht tegenover parlementaire enquêtecommissie afgelegde verklaring omtrent zijn betrokkenheid bij enig strafbaar feit. Hof heeft door verdachte t.o.v. PECW afgelegde verklaring enkel gebezigd tot bewijs van meineed. Art. 6 EVRM staat niet in de weg aan het gebruik van deze verklaring voor bewijs van dat feit. Art. 6 EVRM strekt namelijk niet tot bescherming van verdachte die als getuige tegenover parlementaire enquêtecommissie opzettelijk in strijd met de waarheid een verklaring heeft afgelegd en daarmee strafbaar feit heeft gepleegd (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AF5456 en ECLI:CE:ECHR:2006:0323DEC003825803). Daaraan doet niet af omstandigheid dat jegens verdachte t.t.v. het afleggen van zijn verklaring tegenover parlementaire enquêtecommissie kennelijk reeds verdenking t.z.v. in dienstbetrekking aannemen van giften bestond. Ook in die situatie gelden waarborgen van art. 30-32 WPE in relatie tot gebruik van die verklaring t.b.v. strafvervolging m.b.t. feit(en) waarop die verklaring betrekking heeft. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken