HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1980

Herziening. Opzettelijk telen grote hoeveelheid hennep (art. 3.B Opiumwet) en diefstal elektriciteit d.m.v. verbreking (art. 311.1.5 Sr). Aangevoerd wordt dat het tegen A gewezen vonnis, inhoudende dat A is vrijgesproken van de hem tenlastegelegde meineed, (i) het ernstige vermoeden wekt dat aanvrager zou zijn vrijgesproken als de rechter met dat vonnis bekend was geweest en (ii) deze vrijspraak van A een “substantiële invloed op de bewijsbeslissing zou hebben gehad”. In de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, heeft het Hof – in navolging van de Rechtbank – overwogen dat A, die als getuige is gehoord, ongeloofwaardig heeft verklaard, zodat de voor aanvrager ontlastende verklaring – inhoudende dat de getuige verantwoordelijk is voor het opbouwen en onderhouden van de aangetroffen hennepkwekerij – buiten beschouwing is gelaten. De enkele omstandigheid dat A is vrijgesproken van de hem tenlastegelegde meineed in de zaak tegen aanvrager leidt nog niet tot de conclusie dat aanvrager van het hem tenlastegelegde zou zijn vrijgesproken. De vrijspraak door de Pr van de aan A tenlastegelegde meineed brengt immers niet z.m. als conclusie mee dat A als getuige in de strafzaak tegen aanvrager een geloofwaardige ontlastende verklaring heeft afgelegd of dat het Hof de verklaring van A - in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd - in (voor aanvrager) ontlastende zin in de bewijsvoering had moeten betrekken. Ook los hiervan wekt, gelet op de gebezigde bewijsvoering als geheel, het aangevoerde overigens niet een ernstig vermoeden a.b.i. art. 4571.c. Sv. Volgt afwijzing aanvraag. Vervolg op 18/03399 (art. 80a RO; niet gepubliceerd).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen