HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1929

Opzettelijk gebruik maken van niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs door bij staandehouding ID-bewijs op naam van neef te overhandigen, art. 231.2 Sr. Is sprake van hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr na toewijzing vordering wijziging tll. a.b.i. art. 313 Sv, waarbij aan tlgd. opgeven van valse naam (art. 435.4 Sr) subsidiair art. 231.2 Sr is toegevoegd? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BM9102 m.b.t. relevante vergelijkingsfactoren die dienen te worden betrokken bij beoordeling van vraag of sprake is van “hetzelfde feit”. Aan verdachte verweten gedraging is in tll. omschreven als door opsporingsambtenaar naar zijn identificerende persoonsgegevens gevraagd andere dan zijn werkelijke naam opgeven. In vordering wijziging tll. is aan verdachte verweten gedraging omschreven als opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van niet op naam van drager gesteld identiteitsbewijs. Tll. is toegesneden op art. 435.4 Sr en vordering wijziging tll. op art. 231.2 Sr. Mede gelet op wetsgeschiedenis strekt strafbaarstelling van opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van niet op naam van drager gesteld identiteitsbewijs a.b.i. in art. 231.2 Sr ertoe, evenals strafbaarstelling van opgeven van valse naam in de zin van art. 435.4 Sr, te voorkomen dat personen wederrechtelijk gebruik maken van identificerende persoonsgegevens van ander. Gedragingen van verdachte verschillen niet wat betreft tijd waarop, plaats waar en omstandigheden waaronder zij zouden zijn verricht, terwijl ook aard en kennelijke strekking van “opgeven” van valse naam (zoals omschreven in op art. 435.4 Sr toegesneden tll.) in de kern niet afwijkt van “overhandigen” dan wel “tonen” van niet op naam van drager gesteld identiteitsbewijs (zoals omschreven in op art. 231.2 Sr toegesneden vordering wijziging tll.). Gelet hierop is ’s Hofs oordeel dat door toewijzen van vordering wijziging tll. sprake blijft van “hetzelfde feit” in de zin van art. 68 Sr, juist. Daaraan doet niet af dat strafmaxima die op onderscheiden feiten zijn gesteld in meer dan geringe mate uiteenlopen en dat art. 231.2 Sr - anders dan art. 435.4 Sr - misdrijf betreft. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken