HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1928

Vervoer van 680 hennepstekken, art. 3.B Opiumwet. Vordering tot uitlevering van verdovende middelen, art. 9.3 Opiumwet. Dient vordering van verbalisanten te worden voorafgegaan door cautie, nu verbalisanten daarbij aan verdachte hebben gevraagd of er verdovende middelen in zijn auto aanwezig zijn? Hof heeft vastgesteld dat verbalisanten op achterbank van auto, waarvan verdachte bestuurder was, twee dozen hebben gezien, die met tape waren dichtgemaakt, en door geopende ramen van auto lichte hennepgeur hebben geroken. Eén van de verbalisanten heeft vervolgens tegen verdachte en bijrijder gezegd: “Ik vorder de uitlevering van eventuele aanwezige verdovende middelen. Hebben jullie verdovende middelen bij jullie of zijn er verdovende middelen in het voertuig aanwezig?”. Opvatting dat voorafgaand aan vordering tot uitlevering aan verdachte mededeling had moeten worden gedaan dat hij niet tot antwoorden verplicht is, is onjuist. Een dergelijke vordering heeft immers niet te gelden als vraag naar betrokkenheid bij strafbaar feit (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AB2066). Opvatting dat doen van vordering tot uitlevering niet gepaard mag gaan met - al dan niet in vragende vorm gestelde - toelichting op die vordering, vindt evenmin steun in het recht. ’s Hofs kennelijke oordeel dat door één van de verbalisanten gestelde vraag slechts strekte tot dergelijke toelichting op bevel tot uitlevering, is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken