HR 5 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1702
Groepsbelediging, art. 137c.1 Sr. Toespraak PEGIDA-demonstratie. 1. Uitlating beledigend voor groep mensen wegens hun godsdienst? 2. Toegelaten beperking van vrijheid van meningsuiting a.b.i. art. 10.2 EVRM? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BJ9796 en ECLI:NL:HR:2009:BF0655 m.b.t. beledigend karakter van uitlating en beledigen van groep mensen wegens hun godsdienst. Hof heeft geoordeeld dat desbetreffende uitlating als beledigend voor in bewezenverklaring genoemde groep mensen wegens hun godsdienst ex art. 137c Sr is aan te merken. In het licht van vooropgestelde uitgangspunten en i.v.m. door verdachte gebruikte bewoordingen ‘verachten’ en ‘haten’, geeft dat oordeel niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is dat niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3583 m.b.t. beoordelingskader t.a.v. recht op vrijheid van meningsuiting en vraag of uitlating strafbaar is wegens groepsbelediging ex art. 137c Sr. Hof heeft zijn oordeel dat sprake is van o.g.v. art. 10.2 EVRM toegelaten beperking van vrijheid van meningsuiting niet toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat Hof in dit verband slechts in algemene bewoordingen heeft overwogen dat het niet vermag in te zien “op welke wijze voornoemde uitlating een bijdrage levert of dienstig zou kunnen zijn aan het betreffende maatschappelijk debat” en dat “context waarin de uitlating is gedaan en moet worden beoordeeld, (...) het beledigende karakter van de uitlating van verdachte niet weg [neemt]”. Hof heeft onvoldoende duidelijk gemaakt wat die context i.c. precies inhoudt en waarom die context tot oordeel over toelaatbaarheid van beperking van vrijheid van meningsuiting heeft geleid. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl