HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1591
OM-cassatie. Beklag, (door RC afgewezen vordering tot machtiging van OvJ tot leggen van) beslag ex art. 94a Sv onder klager op niet nader omschreven voorwerpen t.z.v. ontneming w.v.v. Moet vordering tot machtiging van OvJ concrete voorwerpen noemen waarop beslag betrekking heeft? Uit wettelijke regeling (art. 94b Sv, art. 94c Sv, vierde Titel van Derde Boek van WvRv, art. 94a.4 Sv en art. 94a.5 Sv) en eisen van redelijke en doeltreffende toepassing daarvan volgt dat OvJ in vordering tot machtiging zo duidelijk mogelijk moet vermelden wat aard is van voorgenomen beslag. Een algemene verplichting om in iedere vordering tot machtiging tot het leggen van conservatoir beslag op voorhand ook concrete voorwerpen waarop dat beslag betrekking heeft te omschrijven, volgt daaruit echter niet. Oordeel Rb dat in vordering tot machtiging van OvJ tot het leggen van conservatoir beslag a.b.i. art. 94a en 103 Sv (steeds) concrete voorwerpen moeten worden genoemd waarop voorgenomen beslag betrekking heeft, geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting. Onvoldoende belang bij vernietiging en terugwijzing, nu OvJ, zo daartoe nog aanleiding bestaat, opnieuw vordering kan doen tot machtiging tot het leggen van conservatoir beslag, waarop RC zal beslissen met inachtneming van het voorgaande. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. afdoening (strekt tot vernietiging en terugwijzing).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 474a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 513a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 567 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 702 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 721 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 722 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 36e Sr
- Artikel 36f Sr
- Artikel 94a Sv
- Artikel 94b Sv
- Artikel 94c Sv
- Artikel 103 Sv
- Artikel 126 Sv
- Artikel 552a Sv
- Artikel 24 Wge